Welkom bij de Stichting Culturele Therapieën en Evidence-Based Geneeskunde

Stichting Culturele Therapieën en Evidence-Based Geneeskunde slaat een brug tussen culturele geneeswijzen en wetenschappelijk onderbouwde zorg. Vanuit een evidence-informed benadering verbindt de stichting verschillende kennisbronnen: wetenschappelijke kennis, professionele expertise, praktijkervaringen uit cultureel en traditioneel verankerde behandelvormen, en ervaringskennis van cliënten en gemeenschappen.

Door deze verschillende perspectieven samen te brengen, ontwikkelt en bevordert de stichting innovatieve en integratieve zorgconcepten die, na zorgvuldige toetsing en evaluatie, kunnen bijdragen aan verantwoorde zorg als aanvulling op de reguliere zorg.

De stichting bevordert cultuursensitieve zorg door samenwerking met zorginstellingen, zorgprofessionals, kennisinstituten, traditionele en culturele behandelaars, gemeenschappen, cliënten en mantelzorgers.

De stichting draagt bij aan publieke bewustwording en kennisdeling, met bijzondere aandacht voor doelgroepen die beperkte toegang hebben tot betrouwbare zorginformatie. Dit gebeurt door middel van voorlichting, workshops, trainingen, dialoogsessies en andere educatieve activiteiten.

 

Het Museum voor Culturele Geneeswijzen brengt culturele zorgpraktijken en zorgerfgoed in beeld. Het toont hoe verschillende culturele gemeenschappen vanuit hun kennis, ervaringen en beschikbare middelen oplossingen hebben ontwikkeld voor gezondheidsuitdagingen.

Het museum wil deze kennis en ervaringen toegankelijk maken als onderdeel van het wereldwijde cultureel zorgerfgoed.

Wat kan de medische wetenschap ontlenen aan culturele en traditionele zorgpraktijken?

Culturele en traditionele zorgpraktijken kunnen de medische wetenschap waardevolle aanknopingspunten bieden, mits zij kritisch en wetenschappelijk worden onderzocht, onder meer op werkzaamheid en veiligheid. Daarbij is een belangrijk onderscheid nodig tussen een inspiratiebron — een aanwijzing die aanleiding geeft tot verder onderzoek — en een bewezen behandeling, waarvan de werking en veiligheid wetenschappelijk zijn aangetoond.

1. Hypothesevorming: waardevol, maar selectief succesvol

Eeuwenoude plantenkennis blijkt soms een verrassend goede gids voor de moderne wetenschap. Neem artemisinine: onderzoekster Tu Youyou vond in een klassieke Chinese tekst een aanwijzing die leidde tot de ontwikkeling van een effectief malariamiddel — een ontdekking die haar de Nobelprijs opleverde. Ook aspirine heeft wortels in traditionele kennis: het eeuwenoude gebruik van wilgenbast tegen pijn en koorts bracht wetenschappers op het spoor van salicylzuur, waarna de chemische ontwikkeling van acetylsalicylzuur — aspirine — volgde.

Toch zijn dit uitzonderingen. De meeste traditionele plantenkennis leidt niet tot een nieuw geneesmiddel. Bovendien roept het gebruik van dergelijke kennis belangrijke vragen op: wie profiteert wanneer bedrijven voortbouwen op kennis van lokale en inheemse gemeenschappen? En hoe worden deze gemeenschappen daarbij erkend en betrokken? Het Nagoya-protocol biedt hiervoor een internationaal kader voor toegang tot genetische hulpbronnen en het eerlijk delen van voordelen.

2. Praktijkkennis: rijke observatiedata met beperkte bewijskracht

Traditionele zorgpraktijken zijn vaak gebaseerd op generaties van observatie en ervaring. Onderzoekers kunnen deze kennis systematisch in kaart brengen via etnofarmacologisch veldonderzoek, bijvoorbeeld door te documenteren welke planten en behandelingen lokaal worden gebruikt bij specifieke klachten. Zo kunnen patronen zichtbaar worden en kunnen kansrijke onderzoeksvragen worden geselecteerd voordat kostbaar laboratorium- of klinisch onderzoek wordt uitgevoerd.

Toch vormt deze praktijkkennis op zichzelf geen hard bewijs voor werkzaamheid. De ervaringen zijn doorgaans niet onder gecontroleerde omstandigheden verzameld: er is bijvoorbeeld geen controlegroep, blindering of gestandaardiseerde dosering. Daardoor is niet goed vast te stellen wat een waargenomen verbetering verklaart: de behandeling zelf, het natuurlijke beloop van de klacht, andere factoren, of verwachtings- en placebo-effecten.

Daarom heeft praktijkkennis vooral een hypothesevormende waarde: zij kan aanwijzingen opleveren voor onderzoek, maar moet vervolgens met wetenschappelijke methoden worden getoetst. Het onderscheid tussen hypothesevormend en hypothesetoetsend is daarbij essentieel: het eerste levert een aanwijzing voor verder onderzoek, terwijl het tweede onderzoekt of een behandeling daadwerkelijk werkzaam is.

3. Geneesmiddelenontwikkeling: efficiëntere selectie, geen korter traject

Middelen met een lange gebruiksgeschiedenis kunnen een gerichte kandidatenlijst vormen voor onderzoek naar bioactieve stoffen. Dit kan vooral de selectie van potentiële kandidaten efficiënter maken. Het verdere traject — van toxicologisch onderzoek en klinische trials tot regelgeving — blijft echter noodzakelijk en kostbaar. Traditionele kennis kan dus de selectie van onderzoekskandidaten ondersteunen, maar verkort niet automatisch de ontwikkeling van een geneesmiddel.

4. Holistische inzichten: vruchtbare onderzoeksrichting, met risico op vermenging

Mindfulness en meditatie, afkomstig uit boeddhistische tradities, hebben geleid tot wetenschappelijk onderzoek naar onder meer stressfysiologie, de HPA-as en veranderingen in hersenstructuur. Dit laat zien hoe een culturele praktijk door systematische toetsing kan uitgroeien tot een evidence-based interventie. Tegelijkertijd is voorzichtigheid noodzakelijk: een veelbelovende of betekenisvolle praktijk is niet automatisch effectief. De aantrekkingskracht van een holistische benadering mag daarom niet worden verward met wetenschappelijk aangetoonde werkzaamheid.

5. De grens: waar culturele en wetenschappelijke geneeskunde botsen

De waarde van culturele zorgpraktijken kent duidelijke grenzen. Rituelen, groepsverband en betekenisgeving kunnen invloed hebben op ervaren gezondheid en behandelingseffecten, waardoor het soms moeilijk is om specifieke werkingsmechanismen afzonderlijk vast te stellen. Een groter risico ontstaat wanneer patiënten bewezen effectieve behandelingen — zoals chemotherapie, insuline of antibiotica — uitstellen of vervangen door onbewezen traditionele middelen. Daarnaast zijn er ethische vraagstukken rond biopiraterij: wanneer traditionele kennis commercieel wordt benut, zijn erkenning en eerlijke compensatie van de betrokken gemeenschappen essentieel.

Culturele en traditionele therapieën kunnen een waardevolle bron van hypothesen zijn, maar vormen geen alternatief voor de wetenschappelijke methode. Hun waarde ligt in de onderzoeksvragen die zij kunnen opleveren, niet in het zonder toetsing overnemen van hun claims.

Kunnen culturele en traditionele zorgpraktijken als startpunt voor zorginnovatie dienen?

Zorginnovatie kan op verschillende plekken beginnen: bij epidemiologische data, klinische observaties of technologische ontwikkelingen. Culturele en traditionele zorgpraktijken vormen een aanvullend startpunt met een specifieke meerwaarde. Ze zijn ontstaan uit generaties van praktijkervaring binnen een leefwereld die het klinisch-wetenschappelijke systeem niet als eerste in kaart brengt. Waar epidemiologisch onderzoek doorgaans begint bij meetbare uitkomsten, vertrekken culturele praktijken vanuit wat mensen zelf als herstel, balans of welzijn ervaren. Dat verschil in vertrekpunt kan leiden tot andere onderzoeksvragen dan een uitsluitend biomedische benadering zou genereren.

Mensgerichtheid: een concreet verschil, geen vage aansluiting

Het klinisch-wetenschappelijke systeem werkt doorgaans met ziektespecifieke uitkomstmaten, zoals overleving, symptoomreductie en laboratoriumwaarden. Culturele zorgpraktijken vertrekken vaker vanuit een ander uitgangspunt: hoe iemand zelf het functioneren en de kwaliteit van leven ervaart, los van een specifieke diagnose. Dit verschil is ook zichtbaar in de opkomst van patiëntgerapporteerde uitkomstmaten (PROMs) binnen de reguliere zorg. Deze ontwikkeling is mede voortgekomen uit de erkenning dat klinische uitkomsten alleen onvoldoende recht doen aan wat patiënten belangrijk vinden.

Wat culturele praktijken toevoegen aan bestaand onderzoek naar leefstijl en sociale factoren

Medisch onderzoek besteedt al decennialang aandacht aan leefstijl en sociale determinanten van gezondheid. Dat is op zichzelf niet nieuw. Het verschil zit in de invalshoek. Waar epidemiologisch onderzoek deze factoren doorgaans bestudeert als risicofactoren binnen een bestaand ziektemodel, benaderen culturele zorgpraktijken zingeving, gemeenschap en ritueel vaak als dragende elementen van het herstelproces zelf, en niet uitsluitend als randvoorwaarden. Deze verschuiving in perspectief — van risicofactor naar actieve interventie — kan bijdragen aan een onderzoeksagenda die verder kijkt dan het ziektemodel alleen.

Van perspectief naar innovatie: wie bepaalt wat blijft

De meerwaarde van culturele praktijken ligt in de onderzoeksvragen die zij opleveren, niet in kant-en-klare oplossingen. Of een aanpak vervolgens geschikt is voor bredere toepassing, is een vraag voor onderzoekers en clinici. Zij toetsen de hypothese die uit de praktijk voortkomt aan gecontroleerd onderzoek naar werkzaamheid en veiligheid. Pas na deze toetsing — en niet uitsluitend op basis van culturele oorsprong of een lange gebruikstraditie — kan een praktijk terecht een plaats krijgen in de reguliere zorg. Het antwoord op de titelvraag is dus: ja, mits.

Van Praktijk naar Wetenschap: Hoe kunnen culturele en traditionele zorgpraktijken worden onderzocht?

Van Praktijkgericht naar Wetenschap: Ervaringen uit Cultuur & Traditie

Een gefaseerd model voor het onderzoeken en valideren van culturele en traditionele zorgpraktijken, van eerste observatie tot wetenschappelijk onderbouwde toepassing. Niet elke praktijk doorloopt alle fasen. Uitval na toetsing is een verwacht en belangrijk onderdeel van het proces en geen falen van het model.

1. Praktijkervaring: verzamelen van cultuur en traditie

Deze fase richt zich op het verzamelen van kennis uit de praktijk en traditionele behandelwijzen. Het documenteren van rituelen, behandelmethoden en ervaringsgerichte praktijken die generaties lang binnen specifieke culturele contexten zijn doorgegeven, draagt bij aan het behoud van cultureel erfgoed en diversiteit in de zorg. Dit staat los van de vraag of een praktijk uiteindelijk wetenschappelijk effectief blijkt. De verzamelde kennis vormt het uitgangspunt voor verder onderzoek.

2. Documentatie & analyse

Praktijkervaringen worden systematisch vastgelegd en geanalyseerd. Door kwalitatieve en kwantitatieve gegevens te verzamelen, ontstaat inzicht in de mogelijke werking, effecten en context van een praktijk. Deze fase maakt wetenschappelijke toetsing mogelijk, maar levert op zichzelf nog geen bewijs van effectiviteit.

3. Toetsing aan wetenschappelijke kennis

De verzamelde inzichten worden vergeleken met bestaande wetenschappelijke kennis en, waar mogelijk, onderzocht in gecontroleerde studies — bijvoorbeeld op werkzaamheid ten opzichte van bestaande behandelingen en op veiligheid bij langdurig gebruik. Soms leidt dit tot waardevolle nieuwe hypothesen en verdere onderbouwing. In andere gevallen blijkt een praktijk niet effectief, niet veilig of niet beter dan bestaande behandelingen. Dat is geen mislukking, maar een essentieel doel van wetenschappelijke toetsing: onderscheid maken tussen praktijken die verder onderzoek verdienen en praktijken die niet worden ondersteund door het beschikbare bewijs.

4. Ontwikkeling van zorgconcepten

Voor praktijken waarvoor voldoende wetenschappelijke aanknopingspunten bestaan, kan een nieuw zorgconcept worden ontwikkeld. Daarbij wordt gekeken naar zowel de culturele aansluiting als de wetenschappelijke onderbouwing. Een ontwikkeld zorgconcept is op dit punt nog niet bewezen effectief; het vormt de basis voor verdere toetsing en is niet het eindpunt daarvan.

5. Toepassing, validatie & feedback

Pilotprojecten en klinische studies beoordelen de werkzaamheid, veiligheid en toepasbaarheid van het zorgconcept in de praktijk. Pas op basis van deze toetsing kan worden vastgesteld of een interventie voldoende onderbouwd is voor bredere toepassing. De resultaten vormen vervolgens een continue feedbackcyclus van evaluatie, aanpassing en — waar nodig — beëindiging van praktijken die onvoldoende effectief of veilig blijken.

Initiatieven / voorgestelde projectconcepten

Het Centrum voor Huiltherapie  is een initiatief in ontwikkeling dat zich richt op het bevorderen van emotioneel welzijn en kwaliteit van leven via non-verbale expressie.

Het centrum verbindt wetenschappelijke inzichten over emotionele expressie en huilen met ervaringskennis uit culturele en traditionele zorgbenaderingen.

De eerste programmalijnen omvatten:

  • ondersteuning van mensen voor wie non-verbale expressie een belangrijke rol speelt in emotionele verwerking, vooral wanneer verbale uiting beperkt, belastend of onwenselijk is;
  • ondersteuning van ouders en verzorgers bij belastende situaties rondom excessief huilen van baby’s, met aandacht voor ouderlijke veerkracht en coping.

Huilinterventies worden niet gepositioneerd als bewezen zelfstandige behandelingen, maar als innovatieve zorgconcepten in ontwikkeling. Het centrum werkt aan de verdere onderbouwing en uitwerking van deze concepten, waarbij pilots, monitoring en evaluatie worden ingezet.

 

Neem contact met ons op

 

 

Stichting Culturele Therapieën en Evidence-Based Geneeskunde is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel onder KvK-nummer 98559591.